Ik heb tijdens mijn expatbestaan zo nu en dan eens een lijk gezien. Dan heb ik het niet over een mooi lijk in een kist, met kaarsjes eromheen, mooie muziek en allemaal rouwende mensen die straks allemaal koffie gaan drinken met een plakje cake. Nee, lijken op straat bijvoorbeeld. Die na een ongeluk dood liggen te wezen. Of lijken die na een schietpartij dood zijn. Of, dat was eigenlijk wel grappig: een lijk alleen herkenbaar omdat slechts de voeten uit een berg met zand staken. Beetje slecht begraven dus, maar dat kwam de politie (uit de Dominicaanse Republiek) wel weer uitzoeken.
Dat lijk lag trouwens op 50 meter van ons huis in onze straat, toen we daar nog woonden... Je hoefde dus niet ver te gaan om ellende te zien, zullen we maar zeggen.
Recentelijk heb ik ook in Bahrein regelmatig lijken gezien. Van bijvoorbeeld Indiƫrs en Pakistanen die de snelweg willen oversteken maar dat niet halen (want in Bahrein moet het concept van een voetgangerstunnel of loopbrug nog uitgevonden worden). En tijdens de Arabische Lente toen ik (heel stout) tweemaal naar de Pearl-Roundabout ging, hingen de posters van opengeschoten schedels (want de Bahreinse oproerpolitie denkt dat je met traangasgranaten gericht op demonstranten mag schieten) uitvergroot op het plein.
Het went nooit, een lijk zien. Vooral niet als je te gast bent in een ander land en je realiseert je dat jij misschien het volgende lijk kunt zijn. Erg kwetsbaar dus.
Inmiddels zijn we in de 5e maand van ons repatriatieproces en we worstelen ons er dapper doorheen. Gelukkig regent het elke dag, zodat we fijn ons huis eerst van binnen kunnen afmaken. Twee maal per week stort ik me in het feestgewoel der openbaar vervoer waarmee ik mijn repatriatieproces een extra impuls geef.
Als ik afgelopen vrijdag uit kantoor langs een kraakpand loop, ligt daar een lijk. Het regent, het is vies weer en het waait. Vol in gedachte maak ik me los van mijn werk en denk ik vooruit aan het aanstaande weekend. "Daar ligt een lijk," denk ik droogjes. Heel normaal, zo'n lijk op de trap van een kraakpand, in Amsterdam. Wel vervelend dat het zo koud is. En ik loop rustig verder want ik moet er langs. Dan begint het langzaam te dagen: wacht even, we zijn in Nederland. Waarom loopt die man voor me zomaar door? En die man voor hem, heeft hij het ook niet gezien?
Ik loop er langzaam naar toe en het duurt even voor ik uit de vreemde houding van het lijk een verloren dikke winterjas zie. Er zit geen lijk ik. Het is niets meer en niets minder dan een verloren, dikke donkergroene winterjas.
Ik staar naar de plek waar die jas een jas ligt te wezen en ik dus dacht dat dat een lijk was... Als door met een honkbalknuppel geslagen, raak ik ineens van streek; want waarom was dat mijn eerste gedachte? Waarom denk ik meteen aan een lijk en die mannen die voor mij liepen niet? Waarom zien zij meteen dat het een dikke, donkergroene winterjas is? Waarom ik niet?
Ik heb teveel lijken gezien en het went kennelijk wel...
Ik loop maar weer snel door maar draai me nog eenmaal om: mooie jas trouwens. Lekker dik en warm, welke activist kraakt er nu een doorgewaaid koud pand maar laat z'n jas buiten liggen?
M.

Krijg er gewoon de rillingen van Mary.
BeantwoordenVerwijderenIk ook! Lijken horen niet op straat te liggen.
BeantwoordenVerwijderenBettine